Van bang naar blij: de oef-erlebnis

© Designed by Freepik

Een kwart van alle mensen krijgt in zijn of haar leven te maken met een angststoornis. Hoe krijg je die, en vooral: hoe kan je die behandelen? Aan de KU Leuven doen psychologen Dirk Hermans en Bram Vervliet er onderzoek naar.

Kennis kent geen einde: 600 jaar Wonderzoek
KU Leuven viert 600 jaar en Knack feest mee: een heel jaar lang vind je om de twee weken op knack.be een artikel over een thema waarrond onderzoekers van KU Leuven sterk wetenschappelijk werk leverden.

Angst is een normale reactie op gevaar of op dreigende situaties. Het is een nuttige emotie als ze je helpt om snel en efficiënt te reageren. Dat wordt anders als angst je dagelijkse leven begint te belemmeren. Dan wordt het een angststoornis. Of het nu gaat om een angst voor spinnen, claustrofobie, sociale angst of een posttraumatische angststoornis: de kern is altijd een associatie. Professor Bram Vervliet van het Leuvense Laboratorium voor Brain Research of Affective Mechanisms – heel toepasselijk BRAMLAB – schreef er een boek over: Waarom we bang zijn.

Waarom word je bang?

Angst ontstaat door negatieve associaties die onze hersenen maken tussen gebeurtenissen. Iemand heft een hand op, geeft je een klap, het doet pijn. Als je een opgeheven hand ziet, word je bang. Je associeert de hand met pijn. Angst is dus aangeleerd.

Maar kan je het dan ook afleren? Je kan wel nieuwe associaties aanleren: dat gebeurt bij blootstellingstherapie. Onder begeleiding word je bewust blootgesteld aan dat waar je bang voor bent, je gaat de confrontatie aan met het gevaar in plaats van het te vermijden. Je hersenen maken nieuwe associaties. In therapie kan je ervaren dat je veilig bent en het grote gevaar uitblijft.

Als je bang bent voor iets specifieks als spinnen of naalden, valt dat met blootstellingsherapie in een paar sessies te verhelpen voor zowat 90% van de mensen, legt psycholoog Dirk Hermans uit. Bij complexere angststoornissen, zoals rijangst na een auto-ongeval, zijn meer sessies nodig. Het succes ligt lager: een behandeling slaat aan bij 50 tot 60% van de patiënten.

Oef! Dat helpt

Een aantal mensen is dus niet geholpen met blootstellingstherapie. Daarom is het belangrijk om fundamenteel onderzoek te doen naar het mechanisme achter angst. Hoe werken onze hersenen als we angst aanleren? En hoe kan je dat doorbreken? Daarnaar doet professor Vervliet onderzoek.

Bij een experiment stelde hij proefpersonen bloot aan lichte elektrische schokjes bij het zien van een driehoek. Zo wordt aangeleerd om bang te zijn voor die driehoek. Als je de proefpersoon driehoekjes laat zien zónder dat schokje, dan is er een kort moment van opluchting en verrassing: oef! Het verwachte gevaar komt niet.

Dat oef!-gevoel blijkt een grote rol te spelen bij het ervaren dat het gevaar onterecht is en dat je veilig bent. Bij angsten meten wetenschappers niet enkel de angst, maar ook de opluchting. Uit MRI-scans blijkt dat bij die opluchting hersengebieden geactiveerd worden die gelinkt zijn aan onverwachte beloningen.

In een volgende stap wil professor Vervliet nagaan welke neurotransmitters – signaalstoffen in je hersenen – een rol spelen bij dat proces. Dat kan ons meer leren over hoe onze hersenen werken bij angsstoornissen, maar ook bij dwangstoornissen en depressies. Het is nu nog een hypothese, maar het zou kunnen dat het aangename gevoel van de oef-erlebnis minder aanwezig is bij mensen met een depressie omdat hun neurotransmitters minder goed presteren. De ‘oef’ is een reactie op iets wat niet gebeurt, maar dat wil niet zeggen dat die reactie niets betekent. Hoe kort zo’n oef ook is, toch blijkt ze een belangrijke rol te spelen bij hoe we emotioneel functioneren.

Meer lezen?
stories.kuleuven.be/nl/verhalen/de-oef-na-de-angst
stories.kuleuven.be/nl/verhalen/de-wetenschap-achter-angst