Vrijdaggroep

‘RSZ-vrijstelling: afschaffen of hervormen tot groeimotor?’

De federale regering zoekt opnieuw structurele miljarden om haar begroting in lijn te brengen met de geopolitieke situatie. Terwijl de regering druk rekent en schuift met belastingen en pensioenen, zou zij beter eerst haar geërfde beleid onder de loep nemen, vindt Lowie Cnockaert van de Vrijdaggroep. Eén maatregel springt daarbij in het oog: de RSZ-vrijstelling voor de eerste werknemer. Tijd om die regeling om te vormen tot een echte groeiprikkel: geef de vrijstelling maximaal twee jaar bij de aanwerving van een eerste werknemer en schuif ze daarna telkens voor twee jaar door naar elke volgende aanwerving.

Het oorspronkelijke begrotingsplan uit het regeerakkoord kan intussen de prullenmand in: de gewijzigde geopolitieke context heeft de kaarten grondig dooreengeschud. Alleen al voor defensie is er 4 miljard euro extra nodig. De zoektocht naar die middelen belooft moeizaam te verlopen. 

Positief is dat de regering-De Wever beseft dat het buiten de begroting houden van deze structurele uitgaven niets meer zou zijn dan ‘window dressing’. Maar als we echt werk willen maken van een gezondere begroting, moeten we ook kritisch durven kijken naar dure en inefficiënte maatregelen.

Eén daarvan is de RSZ-vrijstelling voor de eerste werknemer. Die is dringend aan hervorming toe.

Deze maatregel bestaat al geruime tijd en werd door de jaren heen meermaals bijgestuurd. Concreet betekent dit dat werkgevers voor hun eerste werknemer geen patronale RSZ-bijdragen moeten betalen. Sinds 2016 geldt de vrijstelling zonder beperking in tijd of omvang. Precies door die onbeperkte toepassing liep de kostprijs fors op. De verschillende regeringen grepen al meermaals in door een maximum vrijstelling per kwartaal op te leggen.

Toch blijft de maatregel bijzonder duur: uit een recente studie van Sam Desiere (UGent) blijkt dat de kostprijs in 2023 nog altijd 488 miljoen euro bedroeg. Het afschaffen van deze maatregel zou de veelbesproken meerwaardebelasting van de Arizona-regering in één klap budgettair overbodig maken.

Belangrijker nog is de vraag wat deze maatregel precies oplevert. De studie van Desiere beperkte zich niet tot de kostprijs, maar onderzocht ook de effectiviteit ervan. Maar zelfs dat is moeilijk te beoordelen, omdat er nooit duidelijkheid kwam over wat de oorspronkelijke doelstelling precies was. Wou men meer startende werkgevers aantrekken? Meer werkgelegenheid creëren? Of zwartwerk bestrijden?

Wat de oorspronkelijke doelstelling ook was, de resultaten zijn op z’n zachtst gezegd teleurstellend. Drie jaar na de hervorming in 2016 telde ons land 7% meer bedrijven met precies één werknemer. Het aantal bedrijven dat doorgroeide naar meerdere werknemers bleef echter stabiel. In absolute cijfers leverde dat in 2019 slechts 2.387 extra jobs op.

De maatregel kostte dat jaar zo’n 300 miljoen euro — goed voor een prijskaartje van ongeveer 125.000 euro per extra job. Van terugverdieneffecten is nauwelijks sprake.

Op basis van deze resultaten lijkt het mij duidelijk dat de maatregel haar doel mist. De auteurs van de studie schuiven drie mogelijke hervormingspistes naar voren: (1) de RSZ-vrijstelling volledig afschaffen, (2) de vrijstelling opnieuw beperken in de tijd, of (3) de middelen inzetten om startende ondernemingen op een andere manier te ondersteunen. De huidige regering besloot al tijdens de onderhandelingen om de maximum vrijstelling per kwartaal verder te verlagen. De onderzoekers gokken dat dit zou leiden tot een eenmalige daling van de kostprijs met ongeveer 20%. Daarna zal de kostprijs opnieuw gestaag oplopen.

De regering moet verder durven gaan. Wie écht werk wil maken van een gezonde begroting en structurele investeringen in defensie, moet eerst kritisch naar de eigen werking kijken en komaf maken met dure, weinig doeltreffende maatregelen.

Een volledige afschaffing van de maatregel zou echter een te zware dobber zijn voor ons jong en kwetsbaar ondernemingsweefsel. Daarom pleit ik ervoor om de regeling niet zomaar te schrappen, maar te hervormen. Zo kunnen we meteen ook een ander hardnekkig pijnpunt van de Belgische economie aanpakken: het gebrek aan doorgroeiende bedrijven. 

Beperk het voordeel tot twee jaar voor de eerste werknemer en schuif het daarna door naar de aanwerving van een tweede werknemer. Zet dat principe verder: na twee jaar verschuift de vrijstelling telkens naar de volgende aanwerving — naar de derde werknemer, de vierde, en zo verder.

Zo belonen we niet wie stilzit, maar wie blijft groeien. Bedrijven die nieuwe mensen blijven aanwerven, behouden hun voordeel. Ondernemingen die hun groeigrens bereiken en niet langer uitbreiden, zien het voordeel op termijn wegvallen. Dat maakt de maatregel betaalbaar én gericht. In tijden van besparingen moet steun gaan naar wie niet roept, maar groeit.

Lowie Cnockaert is lid van de Vrijdaggroep. Hij doctoreert aan de UHasselt. Voorheen was hij onder meer econoom op de FOD Economie.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content